1990 Hoogeveen Gereformeerd Vrijgemaakte Kerk

Het orgel werd in 2004 overgeplaatst vanuit de Bentickslaankerk (foto links) naar het nieuwgebouwde kerkgebouw "De Opgang" aan de Alteveerstraat (foto rechts)
Daarbij werd het uitgebreid met een Fluit 4' op het hoofdwerk en werd voor een nieuwe kleurstelling gekozen.
In verband met ruimtegebrek een geheel nieuwe balg, motor, regulateur, nieuwe elektrische installatie en aanvoerkanaal. 
Ook werden de frontpijpen gepoetst en balustrade en kas op elkaar aangepast, herintonatie in de nieuwe beter klinkende ruimte.
Voor een fotoreportage rond de overplaatsing zie de volgende pagina.

Het orgel in het oude kerkgebouw aan de Bentinckslaan Het orgel in de nieuwgebouwde kerk in de nieuwe kleuren
Het orgel in de "oude" kerk aan de Bentinckslaan Het orgel in de nieuwe kerk
Dispositie
Hoofdwerk   Bovenwerk   Pedaal  
Prestant 8' Prestant 8' Subbas 16'
Bourdon 16' Holfluit 8' Octaafbas 8'
Roerfluit 8' Gamba 8' Octaaf 4'
Octaaf 4' Salicet 4' Bazuin 16'
Fluit 4' (2004) Roerfluit 4'    
Quint 3' Nazard 3'    
Octaaf 2' Woudfluit 2'    
Sesquialter 2 st. Voxhumana 8'    
Cornet 3 st.        
Mixtuur 3-6 st.        
Trompet 8' b/d.        

Speelhulpen
Tremulant,
Pedaalkoppel aan Hoofdwerk,
Klavierkoppel,
Calcant.

Artikel uit Het orgel 1991/07 door Jan Jongepier: Het orgel inde gereformeerd vrijgemaakte kerk Hoogeveen

Enige jaren geleden kocht de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk van Hoogeveen van de Gereformeerde Kerk (Synodaal) het uit 1928 stammende kerkgebouw aan de Bentinckslaan aan. In deze kerk bevond zich boven de kansel een onbeduidend tweeklaviers pneumatisch (later elektro-pneumatisch) orgel van J. H. van der Brink te Renkum uit 1933. (Zie ook website www.orgelsindrenthe.nl
Het besluit, dit orgel te vervangen was dan ook spoedig genomen. Er ging echter veel vergaderen en oriënteren aan vooraf alvorens op 26 november 1988 opdracht gegeven werd aan de orgelmaker Sicco Steendam te Warffum een nieuw orgel te maken voor deze kerk.
Nadat Steendam zijn ontwerp had gepresenteerd kwam men tot de overtuiging dat alle interieuronderdelen rondom het nieuwe orgel wat stijl betreft zouden moeten aansluiten bij de vormgeving van het instrument. Zo kreeg Steendamde opdracht tevens een kanset, een doopvont, een collectezakjesrek en de omheining van de kerkenraadbanken te ontwerpen en uit te voeren. Zelfs de deuren aan weerskanten van de kansel werden aangepast:de voor die tijd karakteristieke brede bolle ribbels werden er afgehaald en de deuren werden belijmd met een schijnpaneelconstructie.
Midden 1989 vond de afbraak van het oude orgel plaats. Daarop werd begonnen metde bouwkundige voorzieningen. Een nieuwe open ruimte voor het orgel moest worden geschapen boven de kansel.
Tijdens de bouw van het orgel vond voortdurend overleg plaats. Op voorstel van de orgelmaker werd aan het Hoofdwerk toen nogd e Sexquialter toegevoegd, terwijl de orgelmaker een gereserveerde plaats voor een Fluit 4 voet,de halve standen voor Mixtuur en Sexquialter, en de halvering van de Trompet aanbood. De Gamba, die aanvankelijk uit het oude orgel genomen zou worden, werd nieuw gemaakt.
Bij de ingebruikneming werd het orgel bespeeld door de adviseur tijdens de bouw, Pieter Deddens. Werken werden uitgevoerd van Zwart, Lemmens, Bach, Bolt, Goudimel, Claussmann, Lefébure­Wély en Asma.

Uitgangspunt
Steendam is bij dit orgel weer uitgegaan van het Witte-orgel (1855) inde Oude of Pelgrimsvaderkerk te Delfshaven, een monumentaal uitziend en klinkend groot tweeklaviers orgel. Evenals bij zijn eerste opus, zijn ook hier elementen ingebracht die eigen voorkeuren verraden.
Inde eerste plaats valt op, dat het beschikbare budget geen getrouwe kopie toestond. De Fagot 16 voet van het Hoofdwerk ende Trombone 8 voet van het Pedaal zijn daardoor vervallen. Verder is op tongwerkgebied voor het Bovenwerk de voorkeur gegeven aan een Vox Humana boven een Dulciaan.
Bij de vulstemmen op het Hoofdwerk is meer vrijheid genomen. Steendam hanteert op ruime schaal een keuze-systeem waarbij registers op verschillende manieren gebruikt kunnen worden. Zo kande Mixtuur door middel van twee standen zowel op 8-voets als op 16-voets basis tot klinken worden gebracht.
Als geheel vrij, dat wil zeggen niet­Witte-achtig element is een laag samengestelde Sexquialter aan het klankbeeld toegevoegd. Ook hier weer twee mogelijkheden door twee register-standen. De mensuur van deze Sexquialter is genomen tussen Cornet en Mixtuur in, om te waarborgen. dat combinatie met zowel de een als de ander mogelijk is. De lage terts kan zodoende, bij halve stand van het register Sexquialter, zowel aan de Cornet als aan de Mixtuur worden toegevoegd. Bijde Cornet leidt dit tot een extra kleur-mogelijkheid bij uitkomend gebruik. Bij de Mixtuur is combinatie met de 8-vocts ligging mogelijk, of combinatie met de gehele Mixtuur, beide met uiteenlopende uitwerking.
De Cornet is, mede met het oog op de combinatie-mogelijkheden met Sexquialter, 3-sterk gehouden en bewust niet vlak achter het front op verhoogde banken geplaatst.
Het is duidelijk, dat Steendam zich in opus 2 nog vrijer ten aanzien van zijn historisch referentiepunt opstelt dan in zijn eerste orgel te Opeinde. In de vijf jaar waarin hij nu zelfstandig heeft gewerkt, is het Witte-orgel een leerschool geweest en een houvast. Maar de drang, er vrijer mee om te gaan, het als consequent gevolgd voorbeeld te verlaten, is groter geworden. Bij de twee eerstvolgende nieuwe orgels zal dan ook de uiterlijke gelijkenis worden opgegeven en wordt ook het concept voor de klank en de inwendige aanleg meer persoonlijk ingevuld.
De orgelkas is gemaakt naar het voorbeeld van het Witte-orgel te Delfshaven. Het snijwerk volgt de oorspronkelijke werktekening van Witte voor Delfshaven.
In de zijwanden zijn enkele extra deuren aangebracht om de toegang tot het pijpwerk beter mogelijk te maken. De kas is minder diep dan die van Delfshaven door de kleinere pedaalbezetting en de reductie van de breedte van de stemgang tussen Hoofdwerk en Pedaal. De kas is gemaakt van oregon-pine. Orgelkas, balustrade en alle elementen van de liturgische ruimte onder het orgel zijn geschilderd in mat roodbruin. Het snijwerk en de labia van de frontpijpen zijn verguld met stofgoud.

De windvoorziening bestaat uit een magazijnbalg met dubbele vouw. De balg ligt deels onder de laden van het Pedaal en deels onder een verhoging die aangebracht is tussen de achterwand van het orgel en de kerkmuur achter het orgel. De windkanalen zijn van caroline-pine. Midden inde orgelkas staat een kanaal van zodanig dikke wanden, dat het tevens als drager voorde middelste liggers van de laden van Hoofdwerk en Bovenwerk dienst doet. Vanuit dit staand kanaal, waarvan de uitwendige maat gelijk isaan de tussenruimte tussende laden van Hoofdwerk en Bovenwerk, wordt de wind inde zijkanten van de yentielkasten van deze werken geleid.
De Tremulant is als opliggende Tremulant gemaakt, naar het voorbeeld van J.F. Witte inde Oude Lutherse Kerk aan het Spui te Amsterdam (1886).

De klaviatuur bevindt zich aan de linker zijkant. Alle delen volgen Witte-voorbeelden na, klavieren en registerknoppen zijn naar Delfshaven gemaakt, bank en pedaalklavier naar werktekeningen van Witte voor Hoorn, Grote Kerk (1889). De rechthoekig uitgevoerde bakstukken zijn belegd met ebben en biezen van been. De eiken klavieren bezitten beenbeleg op de ondertoetsen en geprofileerde benen frontons.
Het onderklavier is als balansklavier uitgevoerd, het bovenklavier als staartklavier.
De registerknoppen van Hoofdwerk en Bovenwerk bevinden zich horizontaal geordend in twee rijen boven de lessenaar, links van de lessenaar zijnde registers voor het Pedaal geplaatst, rechts de Koppelingen en de Calcant.
Het knieschot is ongeschilderd, evenals registerborden en lessenaar. Bij het knieschot is dat ongebruikelijk, maar goed overwogen gedaan in verband met de onvermijdelijke beschadiging die het schilderwerk daar oploopt. De registerknoppen zijn van ebben en bezitten porseleinen naamplaatjes met de registernamen in zwarte kapitalen, veelal afgekort, zoals bij Witte gebruikelijk.

De mechanieken zijn van eiken gemaakt, van invoering is afgezien. De walsarmen en de winkelhaken zijn van messing. De abstractuur is van Fichte, de uiteinden met boekbinderslinnen omwoeld. De hefbomen van de registermechaniek zijn

De windladen zijn van eiken. Hiervoor is kwartiers gezaagd hout toegepast. De stokschroeven en voorslagwervels zijn, naar gebruik bij Witte, van palmhout. Voor de pulpeten is ook de detaillering van Witte aangehouden. Stokken en roosters zijn eveneens van eiken.
Er zijn zes windladen, voor elk werk twee. De cancelvolgorde is voor alle drie werken dezelfde:
aflopend in hele tonen naar weerszijden, vanuit C in het midden. De scheiding van de laden overal tussen groot C en groot Cis. De laden voor het Hoofdwerk liggen achter het front, iets hoger dan de frontkrans,de laden voor het Bovenwerk hierboven. Vanwege de beperkte hoogte boven de lagere zijpartijen en van de kas moesten bij het Bovenwerk enkele pijpen van de Gamba en twee pijpen van de Salicet naar het midden van de lade afgevoerd worden.
De laden van het Pedaal liggen achter de laden voor het Hoofdwerk. Tussen deze laden in bevindt zich een stemgang. Het Bovenwerk bereikt men via een ladder bij de rechter zijwand. Achter de laden van het Bovenwerk ligt een stemvloer.

Het pijpwerk is gemaakt door de fa. Steffani. Tijdens het maken hiervan is Steendam telkens één dag per week bij de pijpenmakers geweest om mee te werken en details te bepalen. Zo had hij zelf toezicht op het gieten, verzorgde hij zelf het uitschaven naar boven (½ dikte) voor het pijpwerk tot 1-voets lengte, en was hij bij het inzetten van de kernen ook zelf betrokken.
Zoals hieronder nader is aangegeven, zijnde beide Prestanten 8 voet geheel uit 800/n tin gemaakt, ook de binnenpijpen. De Gamba is van hetzelfde percentage. Voor het overige metalen binnenpijpwerk is een samenstelling gebruikt van 30% tin, 69,5% lood en 0,5% koper.
De basis voor het mensuurbeeld is nog steeds afgeleid uit het Witte-orgels van Delfshaven. Maar op verschillende punten zijn vrijere interpretaties toegelaten. De mensuren van het Prestantenkoor lopen in de discant wijder uit. Dit is gedaan met het oog op de sterk absorberende werking van de kerkruimte in Hoogeveen. De fluiten van het Bovenwerk zijn een kleine terts enger dan die van het Hoofdwerk. Ook de beide Prestanten 8 voet verschillen een kleine terts in mensuur. Bij de Nasard en Gemshoorn van het Bovenwerk loopt de mensuur in de discant ook weer wijder uit. Bij de tongwerken is minder beleerd dan in Delfshaven het geval is. Er wordt ook aan getwijfeld of de situatie zoals die nu in Delfshayen bestaat, origineel is. Over het algemeen is bij de tongwerken ook naar een bescheidenere klankbeeld gestreefd dan in Delfshaven nu te horen is, deels ook veroorzaakt de absorptie van de ruimte een zwakkere uitwerking.
De Vox Humana van het Bovenwerk is gekopieerd van de Bätz­Vox Humana op het Bovenwerk van het Witte-orgel te Gorcum. De uitvoering is hier echter met metalen stevels, een soort Bätz­Witte Vox Humana die Witte zelf nooit gemaakt heeft.

Het transmissieapparaat voor de combinatie van C t/m F van de beide Prestanten 8 voet,de grootste zes pijpen in de middentoren, is bestudeerd, opgemeten en gekopieerd in Amsterdam, Oude Lutherse kerk aan het Spui.


Indrukken
Mijn indruk van het orgel is gebaseerd op één bezoek aan het instrument en een gesprek met de maker bij die gelegenheid. Er zijn indrukken opgedaan op verschillende gebied. Ik zou jets willen zeggen over de relatie tussen orgel en architectuur, over de keuze van historische uitgangspunten voor een concept, en tenslotte ook nog enkele opmerkingen over details van het instrument willen maken. Vooraf echter, om een en ander in goede verhoudingen te plaatsen, moet gezegd worden dat ik het orgel van Hoogeveen in veel opzichten een goed en muzikaal orgel vind. Ook vind ik het meer volwassen en overtuigend dan het eerste opus van Steendam in Opeinde. Als geheel maakt het een hechte indruk, met een volle, vanuit de grondtoon opgebouwde klank, die massief inde ruimte staat, maar tegelijkertijd niet overweldigend sterk is, en tot en met het tutti een zingend karakter behoudt.
Over het uiterlijk zou ik een paar gedachten willen noteren, niet als kritiek op het orgel bedoeld, maar als bijdrage tot een ontwikkeling die misschien in discussies en het werk van dit moment gaande is. Ik denk dat we allemaal de neiging hebben, een front als wat hier nu gemaakt is, mooier te vinden dan een open opstelling zoals het voormalig orgel van 1933 had.
Er zijn natuurlijk heel begrijpelijke redenen voor die voorkeur. Uit een front als nu gemaakt, spreekt een traditie, een traditie van meubelkunst en ambachtelijkheid. In die zin is de verbinding aan het ambacht van het orgelmaken dan ook hecht en klaar.
Het voormalig open front straalt geen ambachtelijkheid uit maar louter architectonisch denken. We vergissen ons echter wanneer we denken dat er dan automatisch sprake is van een slechte vormgeving. Ook architecten kennen proportieregels. Toegegeven, niet allemaal even goed, maar in veel gevallen zijn ze wel degelijk toegepast.
Het maken van een nieuw orgel in een gebouw van een andere tijd roept altijd de spanning op, dat criteria ten aanzien van het instrument tegen de kenmerken van de architectuur indruisen. Vanuit onze traditie en vanuit de aard van ons cultureel erfgoed zijn we volkomen verzoend met orgels inde meest uiteenlopende stijlen, van renaissance tot rondboogstijl, in gotische kerkgebouwen. Proportie­leer, ambachtelijke schoonheid en allure zijnde elementen, die de combinatie van elementen die in feite haaks op elkaar staan, tòch plausibel maken.
Kennelijk is ons oog echter aan de oudere bouwkunst meer gewend geraakt dan aan de jongere architectuur. Want met vormgeving uit de eerste helft van onze eeuw hebben we ronduit moeite. Nogmaals: voor een groot deel terecht, omdat wij er altijd bij bedenken, dat de bijbehorende instrumenten onder de maat zijn. Maar los daarvan moeten we, denk ik, iets meer aan culturele horizonverbreding gaan doen.
Het gehanteerde uitgangspunt, dat orgelkas en kerkmeubelen in een midden 19de-ceuwse stijl de voorkeur verdienen boven de stijlelementen van de kerk-zèlf, is het waard nader te overdenken. Daarbij moet niet alleen kennis van orgels een rol spelen, maar ook de bereidheid, zich nader te oriënteren op het terrein van de architectuur. De herinrichting van een gebouw als dit is naar mijn smaak van een grotere reikwijdte dan de aanschaf van een nieuwe zithoek.
Ik weet natuurlijk best, dat ik zelf als adviseur zo’n acht jaar geleden aan een procedure als deze heb meegewerkt, en een herinrichting als deze ook mede heb gestimuleerd. Dat was in de Gereformeerde Kerk te Nijverdal. Het toeval wil (of juist géén toeval?) dat Steendam bij de intonatie van dat orgel assisteerde.
Maar ik bestrijd dat daarmee mijn recht van spreken verspeeld zou zijn. Veel is immers in beweging, ook de visie op onze vroeg 20ste-eeuwse architectuur. Veel daarvan verdwijnt ook met zo’n duizelingwekkende snelheid, dat voorzichtigheid in toenemende mate geboden is.
Wat is nu de praktische consequentie van deze overdenking? Dat is moeilijk in een paar woorden aan te geven. Niemand zal fronten in open opstelling toejuichen, denk ik, voor nieuw te maken orgels. Een andere zaak is, of we er niet een paar zullen moeten behouden. Ook speelt den rol, dat de allure van de kerk uiteenlopend kan zijn.
Anders gezegd: bij de ene kerk is er meer inspiratie uit het gebouw te putten voor een gezonde en passende vormgeving dan bij de andere kerk.
Wanneer orgelmakers weerstand hebben tegen ‘de architect’ in het algemeen, berust dat meestal op ervaringen waarbij architecten hun vormprincipes willen laten heersen over de structurele, vanuit het instrument gedachte uitgangspunten die de orgelmaker wil hanteren. Ik denk, dat aan de andere kant architecten wel eens vraagtekens plaatsen bij de creativiteit van orgelmakers ten opzichte van vormgeving. Met het oprakelen van die veelvuldig uitgevochten tegenstelling komen we niet veel verder, vrees ik. Ik denk dan ook, dat er nog een lange weg te gaan is, alvorens er sprake is van enig inzicht in en voldoende kennis van de architectuurgeschiedenis van de vroege 20ste eeuw, alsmede de toepassing hiervan inde interieurkunst en meubelkunst, voordat het mogelijk wordt, binnen deze zelf gekozen discipline aan de vormgeving van een orgel te denken. Maar het is wel degelijk een boeiende opgave.
Het projecteren van midden 19de-eeuwse stijlmiddelen in een kerk uit 1928 biedt een resultaat dat snel algemene aanvaarding verwerft. Die aanvaarding berust misschien wel op dezelfde souplesse van geest waarmee wij een combinatie van gotische architectuur en barokke kerkmeubelen plausibel vinden. Gezegd moet worden dat Steendam voor de kansel eerst een ander ontwerp maakte dat een marmeren voet bezat en daardoor meer de identiteit van de vroege 20ste eeuw uitstraalde. Dit werd door de opdrachtgever echter afgewezen.
Na een tijd, waarin veel kerkinterieurs in ‘doe-het-zelf-trant’ verbouwd werden is een vormgeving als toegepast een welkom contrast door de geest van verzorging en verhouding die er uit spreekt, vertaald in goed materiaalgebruik. Misschien komt het er nog eens van dat we die elementen ook binnen de architectonische discipline van het gebouw kunnen aanbrengen.
Dan hoeven we ook geen originele deuren uit de bouwtijd van de kerk met kunstgrepen meer om te buigen naar een op subjectieve gronden gekozen vroegere stijl!

In de tweede plaats wil ik enkele opmerkingen maken met betrekking tot de keuze van het uitgangspunt. Steendam heeft nu twee orgels gemaakt die het orgel van C.G.F. Witte in Delfshaven als inspiratiebron en voorbeeld hebben. Uit het gesprek met hem heb ik begrepen dat het vooral zijn onvrede met bepaalde dun en schraal klinkende nieuwe orgels is, die hem tot die keuze heeft gebracht. Kleinere orgels met hoog klinkende registers voert hij dan als voorbeelden aan voor zijn stelling dat het anders zou moeten. Dat andere treft hij dan aan in het werk van Witte, met name het vroege werk dus. Hoezeer hij hiervan overtuigd is, blijkt uit zijn reclameboodschap: “ronde en dragende klank; eigenschappen die een orgel maken tot een goed klinkend gemeentezang-orgel.” Over die keuze en die stelling zou ik, als notoir liefhebber en bewonderaar van het werk van Witte, toch wel enkele vragen willen stellen. Het werk van Witte zie ik als een exponent van 19de-eeuwse cultuur, van 19de-eeuws denken en 19de-eeuws muziek maken. Het is er onlosmakelijk meer verbonden, het kan alleen vanuit die optiek worden begrepen. Het hoort dus ook bij een typische 19de-eeuwse manier van koraalspel en kerkzang. Nu wil ik best aannemen dat veel 
historische muziekinstrumenten universeler zijn dan die exclusieve relatie met de tijd waarin ze zijn ontstaan. Hoe universeel is dan het Witte-orgel? In elk geval zó universeel dat de hedendaagse begeleidingspraktijk niet door het instrument wordt gefrustreerd, dat moge voorop staan. Maar in de richting van literatuurspel, en dan met name die werken, die gewoontegetrouw vaak op de lessenaar komen, koraalvoorspelen uit de periode tussen Buxtehude en Krebs, is de klankkleur van dit concept minder vanzelfsprekend. We kunnende stelling ook vanuit een andere hoek toetsen. Men kan zich dan afvragen of bedoeld wordt, dat er anderhalve eeuw lang gebrekkig gezongen dan wel begeleid is, dankzij de aanwezigheid van orgels van Duyschot, Schnitger, Müller, Hinsz en Freytag in onze kerken? Daarna kwam dan gelukkig Witte om het geschikte orgel voor de begeleiding van de gemeentezang uit te vinden?
Onzin natuurlijk. Nogmaals: elke klank hoort bij een bepaalde tijd, bij het denken, voelen en ervaren van de mensen in die tijd. Voor al die verschillende uitingen is gelukkig een plaats onder de zon. Dat al die uitingen waardevolle elementen in zich dragen, hebben we moeten leren en waarderen. En de vrije keuze hieruit om een voorbeeld te kiezen waardoor men zich aangesproken voelt, is en blijft altijd legitiem. Maar het bevestigen van een exclusief etiket op zijn keuze is heel wat anders. Zoals het ene orgel niet boven het andere staat, zo is ook de vrijwillige keuze voor het een of ander niet tegen elkaar af te wegen. Men kiest en moet dat dan zo goed mogelijk proberen te maken. En, als voorwaarde daarvoor, niet alleen namaken, maar ook begrijpen. Exclusiviteit claimen door keuze alléén is boerenbedrog.

Inmiddels blijkt uit dit tweede op Witte gebaseerde opus, dat de orgelmaker Steendam er aan toe is, instrumenten met een eigen identiteit te gaan maken. In de twee volgende instrumenten, die thans opgedragen zijn, zal dat dan ook gaan gebeuren.
Het Witte-concept van Delfshaven is bij dit orgel in Hoogeveen immers meer omgebogen dan bij het eerste opus in Opeinde.
De Cornet is tot 3-sterk uitgedund en niet meer vlak achter het front op banken geplaatst. Een Sexquialter in lage samenstelling is aan het klankspectrum toegevoegd. Een Vox Humana is geïntroduceerd.
De diepte van de kas is geringer, met name door de reductie van de breedte van de stemgang tot een maat die het moeilijk maakt het grote staande windkanaal te passeren. Ook de baskracht van de tongwerken is gereduceerd, ook al zal de absorptie van de kerk daar een rol bij spelen.
Door halve registerstanden van Mixtuur en Sexquialter kunnen verschillende nieuwe combinatiemogelijkheden worden gekozen, waarbij met name de mogelijkheid opvalt, een 8-vocts plenum te kunnen gebruiken.
Met de lage terts is een element ingebracht, dat al vanaf de eerste orgels, speciaal voor gemeentezang-begeleiding in ons land, aanwezig is geweest. Dat wil dus zeggen sedert ongeveer 1670, voortgezet door Hinsz, Van Dam en Meere tot in de vroege 19de eeuw. Nooit echter door Bätz of zijn opvolgers Witte. En laag samengestelde mixturen horen in feite ook in dat beeld thuis. Aanvankelijk op grotere orgels ook vergezeld van hogere mixturen, waardoor de mogelijkheid gegeven was, bij een klassieke speelwijze toch volheid en diepte van klank te verwerven, later echter, toen de speelwijze meer van verdubbeling van melodie en/of akkoorden uitging, ook als enig aanwezige mixtuurklank. In de 19de eeuw ontwikkelde zich vervolgens een geheel nieuwe optiek op klankopbouw, waar de laag klinkende mixturen een essentieel onderdeel van gingen uitmaken, maar waarbij ook andere kenmerken op het terrein van mensurering en intonatie een rol gingen spelen.
Hierdoor kunncn we onderscheid maken tussen twee klankconcepten: enerzijds de laat 18de-eeuwse klankopbouw met lage Mixtuur en lage tertsklank, aangevuld met tongwerken, door mensuur en intonatie echter vooral gericht op een ruisende, zingende en soepel versmeltende klank, wel met een breed spectrum. maar met een rijke toonopbouw binnen elke pijp van het ensemble.
In de 19de eeuw daarentegen nemen we, met name door het werk van Witte, een geheel nieuw geluid waar, gericht op een breed spectrum met monumentale werking, meer gericht op volheid dan op ruisende kenmerken, strakker en minder rijk-per-pijp door de gevolgde intonatiemethoden. Door de ontwikkelde kracht wordt van de tongwerken in de bas meer kracht en ondersteuning gevraagd, door het inschakelen van de imponerend-sterke Cornet moet het hele mensuurbeeld zich aanpassen aan het invoegen van dit register in het tutti. Is het niet verbazingwekkend interessant, om dit beeld te zien groeien, vanaf het moment dat de jonge Witte gaandeweg meer greep krijgt op het klankconcept van zijn leermeester en compagnon Jonathan Bätz? Want die nieuwe visie krijgt dan wel na 1850 meer overtuigingskracht, hij is allerminst als bij toverslag uit de lucht komen vallen.
Wie elementen uit de tweede helft van de 18de eeuw wil verbinden met een hoofdlijn, ontleend aan een uit 1855 daterend Witte-orgel, moet naar mijn idee dan ook werkelijk iets begrijpen van de ontwikkelingsgang, die hier in vogelvlucht is geschetst. Men zij echter gewaarschuwd: wanneer men denkt, er iets van te begrijpen, dienen zich doorgaans meer vragen aan, dan waarmee ooit begonnen wend, zo vergaat het mij tenminste. Maar van één ding ben ik rotsvast overtuigd: het klankideaal van Witte in 1855 betekende in veel opzichten een breuk met het verleden. Wie dan langs een achterdeur dat verleden er weer bij wil halen, moet van goeden huize komen.

Onlangs heb ik betoogd, dat voor de toekomst van de orgelbouw niet meer gerekend mag worden op nieuwe klankvondsten binnen de mogelijkheden van de ons bekende orgelpijpen. Maar wat als mogelijkheid overblijft voor varianten op de orgeltypen die we uit het verleden kennen, kon wel eens liggen op het terrein van de synthese,de combinatie van klanken die de historie nu juist nog niet te horen heeft gegeven.
In dat opzicht biedt het orgel van Hoogeveen wel perspectief. Met name de lage terts en de Vox Humana zijn persoonlijk getinte bijdragen die als voorbeelden van die stelling kunnen dienen. De discussie zou dan moeten gaan over de vraag, of de combinatie binnen redelijke klankconcept-grenzen blijft, of dat er sprake is van uitersten die te ver van elkaar verwijderd zijn. Ik denk dan met name aan klankopbouw, boventoonbeeld en sterkte van de registers van het prestantenkoor en de klanksterkte en -opbouw van de tongwerken. Vanuit die optiek bezien biedt in elk geval de 8-voets samenstelling van de Mixtuur naar mijn smaak geen soelaas voor een bredere gebruiksmogelijkheid. Het is een zuiver papieren mogelijkheid die door het gekozen uitgangspunt voor de klankopbouw onderuit wordt gehaald. Met Bourdon 16 voet en de volledige Mixtuur klinkt het plenum oneindig veel beter. Leermeester Witte heeft over leerling Steendam gezegevierd!

Tenslotte nog wat ervaringen die ik al luisterend en spelend opdeed. In de aanhef zei ik al iets over het tutti van de klank, vol en rond, massief ook, maar nergens schreeuwend of overspannen. Het is een rustige, monumentale en zingende klank. Hoofdwerk en Pedaal dragen daaraan het meeste bij. De voor Witte typerende opzet, waarbij het Bovenwerk tot en met de 2-voets kleur weinig onderdoet voor het Hoofdwerk, naar sterkte gemeten, is hier wat vrijer uitgewerkt. Het Bovenwerk is milder, poëtischer ook.
De Prestant 8 voet van het Hoofdwerk is vrij rond van toon, inde discant naar flûté neigend. De Octaaf 4 voet is daarentegen ijler, zeker tot aan c2. De combinatie van beide registers is dientengevolge wat moeizaam.
Met Quint en 2-voet erbij wordt het ensemble weer hechter, het plenum op 16-voets basis klinkt breed en levendig. De Prestant 8 voet van het Bovenwerk is milder dan die van het Hoofdwerk, meer als Salicionaal geïntoneerd. De Salicet 4 voet is in de bas zwakker dan de Prestant, in de discant ijl en glanzend, mooi kleurend. Bij de Gamba is het hoger tingehalte te horen, zeker in vergelijking met de Salicet. De klank is heel teer-strijkend gehouden.
De Roerfluit 8 voet van het Hoofdwerk is groot van toon, vol ook, de Roerfluit 4 voet van het Bovenwerk levendiger, milder ook. De Holfluit 8 voet klinkt rond, niet overdreven bol, maar vooral ook muzikaal en met souplesse. De open fluiten 3 voet en 2 voet bezitten een vol karakter, de Gemshoorn 2 voet lijkt zelfs iets te sterk in combinatie met twee 8-voeten en Salicet. Over het algemeen zijn de verhoudingen, zowel naar sterkte als boventoonopbouw gemeten, tussen de klankgebieden 8-voet tot en met 2-voet van Hoofdwerk mooi verzorgd uitgewerkt.
Bij de tongwerken was ik getroffen door de Vox Humana, aan Bätz ontleend, maar naar Witte-factuur vertaald, iets waarvoor de historie ons geen voorbeeld geeft. Tussen c° en a1 mooi, in de bas hol, verderop mooi ruisend, het groot octaaf wat dun, ook naar idee van de maker, boven a1 naar mijn idee te strak en te Klarinet-achtig. Bij de Bazuin bezitten veel tonen een mooie bourdontoon, in combinatie met hoorbare boventoonopbouw. Het minst vond ik de Trompet, die wat ‘getemd’ klinkt, maar daarnaast ook te kaal naar mijn smaak, met vooral tussen g° en h0 zwak fragment.
Inde gehele factuur van het orgel valt degelijkheid en verzorging op. Ten aanzien van het toucher moet ik zeggen dat de speelaard van het Hoofdwerk aan de zware en stugge kant is.

Van de verwachtingen die in Opeinde gewekt waren is een deel in dit instrument zeker ingelost. De verdere ontwikkeling van zijn onmiskenbare talent zou Steendam moeten combineren met een geduldige en zorgvuldige oriëntatie aan meer uiteenlopende klankbeelden en concepten. Niet om en te hooi en te gras uit te putten, maar vooral om visie op zowel verschillen als samenhang te verkrijgen. Uiteindelijk moet iedereen ooit op een dag afscheid nemen van een leermeester, ook van de meest bewonderde, en een eigen weg zoeken.

Dispositie:

Hoofdwerk C-f3
Prestant 8’ C-b° front, middentoren en buitenste zij velden, h-f3 op de laden; dubbele stemrol t/m h2 frontpijpen en binnenpijpen 80% tin
Bourdon 16’ C-h0 eiken, c1-f3 metaal; C-H op een aparte lade tegen de zijwand aan rechter zijde
Roerfluit 8’ C-H eiken gedekt, rest orgelmetaal.
Octaaf 4’ dubbele stemrol t/m h’
Sesquialter D 2 st. samenstelling: = 5 1/3 - 3 1/5 
dubbele stemrol bij c1-e2 5 1/3 en 
bij c1-g1 3 1/5; 
register in 2 standen: 
1ste stand alleen 3 1/5, 
2de stand gehele register
Fluit 4’. Gereserveerd
Quint 3’ C-c1 dubbele stemrol 
Octaaf 2’ C-g0 dubbele stemrol
Cornet 3 sterk Op de stokken geplaatst; samenstelling: c’ = 2 2/3-2-1 3/5 voet
Mixtuur 3-4 sterk dubbele stemrol tot 1/2 vt lengte; register in 2 standen te gebruiken; 
1ste stand: Mixtuur op 8-voets basis, de tussen haakjes geplaatste koren klinken dan niet 
2de stand: gehele register
Trompet 8’ B/D stevels metaal met messing band van 10 mm, koppen lood, kelen messing, C-g0 beleerd, bekers metaal 
 
Bovenwerk. C-f3
Prestant 8’ C-F transmissie uit Prestant 8 vt Hoofd werk, Fs-g° front, binnenste zijvelden,gs0-f3 op de laden, Geheel 80% tin; ex pressions t/m f2
Holfluit 8’ C-H eiken, rest metaal, gedekt
Gamba 8’ C-H gecombineerd met Holfluit, vanaf c0 80% tin, expressions t/m f2
Salicet 4’ metaal, expressions t/m f1
Roerfluit 4’ C-h’ als roerfluit, c2-f3 conisch
Nazard 3’ conisch, dubbele stemrol t/m ds°
Woudfluit 2’ conisch, dubbele stcmrol bij C-A
Vox Humana 8’ stevels metaal, met 10 mm messing ring, koppen lood, kelen messing, beleerd C-g bekers dubbelconus met cilindrische voet
- tremulant -  
Pedaal. C-d1
Subbas 16’ geheel eiken.
Octaaf 8’ geheel metaal, dubbele stemrollen
Octaaf 4’ idem
Bazuin 16’ stevels metaal met 20 mm messing ring, koppen lood, kelen messing met loodbeleg en belering; bekers metaal, enkele verkropt

Samenstelling van de Mixtuur:
C: 2, 1 1/3, 1
Fis: 2 2/3, 2, 1 1/3, 1
c: 2 2/3, 2, 1 1/3, (1)
fis: (4), 2 2/3, 2, 1 1/3, (1)
c1:,4,2 2/3, 2, 1 1/3, (1)
fis1: (5 1/3), 4, 2 2/3, 2, 1 1/3
fis2: (8), (5 1/3), 4, 2 2/3, 2, 2
De Mixtuur is in twee standen te gebruiken:
1e stand: de tussen haakjes geplaatste koren spreken niet, 8-voets basis.
2e stand: het gehele register klinkt.

Stomme registers:
Klavierkoppel
Pedaalkoppel (naar Hoofdwerk)
Tremulant
Calcant (is schakelaar windmachine)

Toonhoogte; a’ = 440 Hz
Stemming: gelijkzwevend
Winddruk: 80 mm

Artikel uit Organist & Eredienst 1991/06 Nieuw Steendam-orgel in Hoogeveen door Bert Wisgerhof

De orgelmaker Sicco Steendam uit Warffum gaat voort op de ingeslagen koers. In december 1989 liet ik u kennismaken met zijn nieuwe orgel in Opeinde, waarvoor het Witte-orgel van de Oude Kerk in Rotterdam-Delfshaven model stond. Door het krappe budget van de opdrachtgever moest Steendam zich in Opeinde enkele beperkingen opleggen: gebruik van pijpwerk uit het vorige orgel en een zestal ‘gereserveerde’ stemmen. 
In Hoogeveen, waar op 26 oktober ji. een volgend instrument van zijn hand in gebruik werd genomen, waren de middelen ruimer voorhanden. In de Gereformeerd Vrijgemaakte Kerk aan de Bentinckslaan (het gebouw dateert uit 1933) staat immers een geheel nieuw orgel met 23 stemmen, waarvan één gereserveerd. Het vervangt een onbeduidend elektro-pneumatisch orgel uit 1936. Nadat was gebleken dat reparatie daarvan zinloos was, werd in het najaar van 1988 het contract met Steendam getekend. Net als in Opeinde werd het Witte-orgel van Delfshaven het lichtend voorbeeld. Toch volgde Steendam dit voorbeeld niet slaafs. Op enkele punten zijn aanpassingen uitgevoerd, waardoor de bespeler een breder repertoire kan uitvoeren. Daar waar het Delfshavense orgel niet meer in originele staat verkeert, werd uitgegaan van andere, authentieke Witte-voorbeelden.

De orgelkas
Deze is geheel naar het voorbeeld van Delfshaven gemaakt. In de zijwanden werden extra deuren aangebracht om de bereikbaarheid van het pijpwerk te vergroten. De kas is uitgevoerd in oregon-pine. Het riga-grenen dat oorspronkelijk door Witte werd gebruikt, is in die kwaliteit niet meer verkrijgbaar. Het snijwerk is uitgevoerd naar de oorspronkelijke werktekening van het orgel in Delfshaven. De kas is in een dieprode kleur geverfd, net zoals de balustrade, de kansel, het doopvont en de kerkenraadsbanken, die overigens tegelijk met het orgel in de werkplaats van Steendam vervaardigd werden.

De windvoorziening
In verband met de windvoorziening is een tweetal trappen met een verhoogde vloer achter het instrument aangebracht. Een dubbelvouw magazijnbalg is onder de vloer geplaatst. De kanalen naar de drie werken zijn van caroline-pine gemaakt. De winddruk bedraagt 80 mm WK.

De klaviatuur
Deze bevindt zich aan de linkerzijkant van de kas. De klavieren zijn van eikenhout gemaakt. De bakstukken zijn met ebben en been belegd. Het ondermanuaal is uitgevoerd als balansklavier en het bovenmanuaal als staartklavier. De ondertoetsen zijn met been belegd en hebben geprofileerde benen frontons. De boventoetsen zijn van ebbenhout. Aan de bovenzijde van de lessenaar zijn de registerknoppen van het hoofdwerk en bovenwerk geplaatst, aan de linkerzijde die van het pedaal, aan de rechterzijde die voor de koppelingen. De knoppen zijn uitgevoerd in ebbenhout met porseleinen naamplaatjes. Lessenaar, pedaalschot, pedaalklavier en de bank zijn van eiken gemaakt. De bank is gemaakt naar de werktekening van het (niet meer bestaande) Witte-orgel in de Grote Kerk te Hoorn (1851) en is met leer bekleed. Het pedaalklavier is eveneens naar het voorbeeld van Hoorn vervaardigd.

De mechanieken
Zowel de registermechanieken als de speelmechanieken zijn van eikenhout en oningevoerd. De abstracten zijn van fichtehout; de uiteinden zijn omwonden met boekbinderslinnen. De welarmen en winkelhaken zijn van messing.

De windladen
Deze zijn — naar Witte’s gewoonte — uitgevoerd in kwartiers gezaagd eikenhout. Palmhouten stokschroeven en voorslagwervels zijn toegepast. Leerpulpeten werden overeenkomstig het Witte-model aangebracht. Het instrument heeft zes windladen, twee per werk, verdeeld in c- en cis-zijde.

De dispositie
Zoals gezegd zijn er enkele afwijkingen ten opzichte van het Delfshavense orgel. Het zijn de volgende:

Dit nieuwe Steendam-orgel is een royaal instrument, niet alleen wat de grootte betreft maar stellig ook ten aanzien van de klankkwaliteit en de gebruiksmogelijkheden. Voornaamheid en homogeniteit zijn de meest opvallende eigenschappen van de klank. Het instrument klinkt volledig overtuigend zoals een vroeg Witte-orgel klinkt, een ideaal medium voor een sonate van De Lange of de begeleiding van een melodie van Bastiaans. Dank zij de dubbele functie van de Mixtuur kan bovendien repertoire uit vroeger tijd goed benaderd worden. De totaalklank krijgt een enorme ‘Gravität’ wanneer de Sesquialter eraan toegevoegd wordt. Een van de mooiste stemmen is de Hollandse Vox Humana, waarvan de kleur nog gedifferentieerd kan worden door toevoeging van een of meer fluitstemmen.

Een opvallend register is ten slotte de Bazuin, waarvan de klank belangrijk groeit wanneer de Subbas en/of de Octaafbas eraan toegevoegd word. Wie met dit orgel kennis maakt wordt duidelijk dat Steendam geen man van compromissen is. Wanneer een orgelmaker zich op Witte oriënteert, moet hij dat ook consequent doen. En Steendam doet dat, ook wanneer hij van het voorbeeld afwijkt. Want zijn eigen inbreng past wel volledig in Witte’s kader. Uitsluitend met zo’n manier van werken kan een volstrekt geloofwaardige stijlkopie ontstaan. Steendam heeft Witte begrepen.

In de werkplaats in Roodeschool heerst bedrijvigheid. Wanneer u dit leest is het volgende orgel (Garrelsweer, GK) alweer in gebruik genomen. De opdracht voor het plaatsen van twee ontbrekende registers (Trompet 8’ HW, Octaafbas 8’ Ped.) in Opeinde kwam binnen en het ziet ernaar uit dat Steendam zijn werkterrein wat naar het Westen van het land zal uitbreiden, te weten naar Rotterdam en Leiden. We houden u op de hoogte.

Foto Wim Kamp © (Oude situatie)

Home

Email: info@orgelbouwsteendam.nl