
1989 Opeinde Gereformeerde kerk
![]() |
Dispositie
|
Een deftig Steendam-orgel in Opeinde (Fr.) uit Organist en eredienst 1989/12
door Bert Wisgerhof
Zijn er in een land als het onze nog kansen voor jonge orgelmakers? Overal zie je dat kerken gesloten worden. Het aantal nieuwgebouwde orgels
verminderde de laatste jaren drastisch, het aanbod van occasion-instrumenten en onderdelen is echter
groter dan ooit tevoren. Dat zou iemand, die het ambacht van orgelmaker wil gaan uitoefenen, toch op andere gedachten moeten brengen?
Niettemin begon ongeveer vijf jaar geleden de orgelmaker Sicco Steendam uit Warffum een eigen bedrijf. Zoals bij vrijwel alle jonge orgelmakers,
bestond ook zijn orderportefeuille aanvankelijk uit onderhoud, stembeurten en een enkele restauratie (bijv. voor de
Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Harkstede). Vorig jaar kreeg hij zijn eerste
nieuwbouwopdracht van de Gereformeerde Kerk van Nijega, Opeinde en De Tike. Het tien jaar oude
kerkgebouw staat in Opeinde, enkele kilometers westelijk van Drachten. Hier stond een uit de vorige kerk
afkomstig pneumatisch orgel met 12 stemmen, in 1914 geleverd door P. van Dam te Leeuwarden. Het bevatte ouder,
19de-eeuws pijpwerk van heel behoorlijke kwaliteit. Al snel na de overplaatsing naar de nieuwe kerk ging de tractuur zoveel gebreken vertonen, dat besloten werd een nieuw orgel te laten bouwen.
Nadat aan Steendam de opdracht was verleend, werd in overleg met hem besloten het nieuwe orgel te copieren naar een historisch voorbeeld,
nl. het Bätz/Witte-orgel uit 1855 van de Oude Kerk te Rotterdam-Delfshaven. Voor dit orgel had
Steendam grote bewondering. Dat het een uitnemend begeleidingsinstrument voor de gemeentezang is werd tien jaar geleden
geïllustreerd door Klaas Bolt. Hij begeleidde toen een door de firma Lindenberg georganiseerde samenzangavond, waarvan de opnamen later op LP werden uitgebracht.
Het orgel van Delfshaven was het laatste van een reeks Witte-orgels, die veel verwantschap met
elkaar hebben. Naast Delfshaven behoren tot deze reeks de in 1854 voltooide orgels in Leerdam,
De Rijp en in de Nieuwe Kerk te Dordrecht (sinds 1965 in de Grote Kerk te Tiel).
De opbouw van deze orgels is nagenoeg identiek:
de windlade van het hoofdmanuaal is onder in de kas, direct achter het front, de lade van het
bovenmanuaal daarboven, terwijl de pedaallade zich
achter de lade van het hoofdmanuaal bevindt (in de Rijp is het pedaal
aangehangen). De klaviatuur is aan de zijkant, de windvoorziening (magazijnbalg) is buiten de kas gesitueerd.
De disposities van deze orgels vertonen enerzijds nog duidelijke klassieke trekken, anderzijds
bevatten ze nieuwe elementen. Het frontschema — een ronde middentoren, geflankeerd door twee
zijvelden — zien we voor het eerst bij het Bätz-orgel van de Nieuwe Kerk te Delft
(1840). De ornamentiek is gemaakt in de Empirestijl, volgens de mode van de vroege
19de eeuw. Ziedaar (globaal) de uitgangspunten voor de bouw van het nieuwe orgel in Opeinde. Dat er
uiteindelijk op sommige punten door Steendam van het voorbeeld is afgeweken, komt omdat de situatie in Opeinde
nu eenmaal een andere is als in Delfshayen. Dat geldt met name voor de akoestische
omstandigheden. Daarop kom ik nog terug.
Op 1 september j.1. kon het nieuwe instrument in gebruik worden genomen met o.a. een bespeling door Geert Bierling, organist van het Witte-orgel in Delfshaven.
De dispositie is als volgt:
|
Hoofdwerk |
Manuaal I, C-f''' |
|
Prestant |
8’ |
C-ais° in het front |
Bourdon |
16’ |
C-b° grenen |
Roerfluit |
8’ |
C-B grenen |
|
Octaaf |
4’ |
|
Cornet disc. |
8’ |
5 st. op verhoogde stok |
Fluit |
4’ |
wijd, open |
|
Quint |
3’ |
|
|
Octaaf |
2’ |
|
Mixtuur |
2’ |
3-4-5 St.* |
|
Trompet |
8’ |
|
|
Bovenwerk |
Manuaal II, C-f''' |
|
Prestant |
8’ |
C-g° in het front |
Holfluit |
8’ |
C-B eiken |
Gamba |
8’ |
C-B uit Holfluit |
|
Salicet |
4’ |
|
|
Gemshoorn |
2’ |
|
|
Roerfluit |
4’* |
|
|
Dulcian |
8’* |
|
|
Tremulant |
|
|
|
Pedaal |
C-d’ |
|
Subbas |
16’ |
eiken* |
|
OctaaThas |
8’* |
|
|
Octaaf |
4’* |
|
|
Bazuin |
16’* |
|
|
Trombone |
8’ |
Koppelingen:
Pedaalkoppeling aan Hoofdwerk
Manuaalkoppeling
De
met * gemerkte
registers zijn nog niet geplaatst.
Wel is daarvan de registermechaniek voorbereid.
De samenstelling van de Mixtuur is de volgende:
C: 2’, 1 1/3’, 1’
Fis: 2 2/3’, 2’, 11/3’
fis°: 4’, 2 2/3’, 2’, 1 1/3’
fis’: 5 1/3’, 4’, 2 2/3’, 2’, 11/3’
fis'': 8’, 5 1/3’, 4’, 2 2/3’, 2’
De registerknop van de Mixtuur heeft twee standen: voor de heift opengetrokken spreken de nietonderstreepte koren, wordt de knop geheel opengetrokken dan komen de onderstreepte koren erbij. Daardoor is het mogelijk de Mixtuur zowel in een 8’voets a!s in een 16-voets plenum te gebruiken. Daarmee heb ik dan meteen de eerste afwijking van het voorbeeld in Delfshaven genoemd. Er zijn er nog enkele:
Gebruik kon worden gemaakt van een deel van het pijpwerk uit het vorige orgel, dat goed bij de
Wittefactuur past.
De legering ervan is 10% tin en 90% lood. Alle oude pijpen kregen wel nieuwe kernen en de opsneden werden verlaagd. Uiteraard werd het nieuwe pijpwerk geheel in Witte-factuur gemaakt, compleet met de dubbele stemringen voor de
grotere pijpen.
De winddruk bedraagt 90 mm. WK.
Nog eén afwijking van het Witte-voorbeeld noemde ik niet. Deze betreft de klanksterkte van de Bovenwerk-stemmen. Is het Bovenwerk in
Delfshaven geheel als echoklavier geïntoneerd, in Opeinde klinkt het sterker. Dat is vooral gedaan met het oog op de akoestische omstandigheden, die bepaald niet gunstig zijn. Bij een vol bezette kerk (en daarin moet het orgel toch meestal functioneren) gaat
zo veel van de klankintensiteit verloren, dat een Bovenwerk als in Delfshaven te kort zou schieten. Terecht is de bouwer op dit punt van het voorbeeld afgeweken, meen ik. Bovendien bevindt zich boven de
klavieren niet het firmaschildje van Bätz/Witte, maar dat van Steendam.
Deze laatste heeft zich met de voltooiing van dit deftig klinkende orgel een plaats verworven in de voorste gelederen van
de vaderlandse orgelbouw. Het is heel goed, denk ik, dat hij zich voor deze eersteling zo sterk georiënteerd heeft op Witte’s voorbeeld. Steendam heeft veel affiniteit met het werk van Witte en er zijn waarachtig slechter voorbeelden denkbaar. Uit het hele Opeinder orgel blijkt ook met hoeveel zorg en vooral liefde
het gemaakt is, of het nu om de detaillering van de klaviatuur, de met leer beklede bank, of om de profielen van de balken in de kas (die meestal niemand ziet) gaat. Bovenal is het een inspirerend muziekinstrument.
Hopelijk laten de gereserveerde stemmen niet al te lang op zich wachten, al moet ik wel
toegeven dat menig orgel met tongwerken het niet haalt bij dit zonder
tongwerken.
Zijn er in een land als het onze nog kansen voor jonge orgelmakers? Jazeker, als ze even consequent en integer, en met evenveel vakmanschap te werk gaan als
Sicco Steendam. In diens werkplaats is men
inmiddels bezig met het tweede nieuwe orgel, opnieuw in de stijl van Witte. Het komt in de
Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Hoogeveen. We zijn benieuwd!
Artikel uit het ORGEL 1990/01 Debuten - Het Steendam-orgel in de
Gereformeerde Kerk te Opeinde door Jan Jongepier
Op 1 september 1989 werd in de Gereformeerde Kerk te Opeinde (bij Drachten, formele naam:
Gereformeerde Kerk Nijega-Opeinde-De Tike) een nieuw orgel in gebruik genomen.
Het kerkgebouw waarin het orgel een plaats vond is tien jaar ouder. In 1979 werd het
bestaande orgel uit de oude kerk zonder wijzigingen naar de nieuwe kerk overgebracht. Vanaf 1985 is
gestreefd naar een herbouw en uitbreiding van het orgel. Kort daarop werd aan de zojuist in Warffum zelfstandig
gevestigde orgelmaker Sico Steendam opdracht gegeven tot de bouw van een tweeklaviers orgel. Het orgel dat
uiteindelijk tot stand gebracht is, wijkt echter belangrijk af van de aanvankelijke
plannen. Nadat men in eerste instantie dacht te kunnen voortborduren op de bestaande situatie, is gaandeweg een totaal ander concept tot stand gekomen,
geïnspireerd op het uit 1855 daterende Bätz-Witte orgel in de Oude Kerk te Delfshaven. Het was dan ook de organist van dit instrument, Geert Bierling, die op 1 september 1989 de inspeling
verzorgde met werken van Fioeeo, Mozart, Ruppe en de concertgever.
Voormalig orgel
In 1913 wordt den orgelcommissie gevormd die de aanschaf van een orgel moet voorbereiden. In juli 1913 blijkt de levering van een orgel te zijn opgedragen aan P. van Dam (de naam van het huis luidde op dat moment nog L. van Dam en Zn.) te
Leeuwarden voor f 2100,—.Een foto van het orgel bleef bewaard. Het front bezat
een ronde middentoren, aan weerszijden geflankeerd door twee vlakke, even grote velden met labiumverloop in
V-vorm. De ornamentiek was in hoofdzaak op neo-gotiek geïnspireerd. Hoewel het fronttype voor zover ik
nu kan overzien eenmalig is binnen het oeuvre, verraadt de ornamentiek heel duidelijk de stijl van
het huis rond de genoemde bouwtijd.
Het orgel werd in 1914 in gebruik genomen. In de brochure, bij gelegenheid van de
ingebruikneming in 1989 samengesteld door de plaatselijke orgelcommissie, wordt vermeld dat de tractuur van meet af aan pneumatisch was. Dat is echter moeilijk te
rijmen met de vaste gebruiken van het huis. Orgels met mechanische kegelladen werden gemaakt tussen 1913 en 1918; na de
vorming van de N.V. in 1917 deed pneumatiek pas zijn intrede. Het orgel had een klaviatuur aan
de linker zijkant en bezat de volgende dispositie:
Manuaal |
C-g3 |
|
|
Bourdon |
16 vt |
bas en disc., bas van hout C-b° front, zink |
|
Prestant |
8 vt |
C-h0 front, zink |
|
Holpijp |
8 vt |
|
|
Violin |
8 vt |
|
|
Octaaf |
4 vt |
C-H zink |
|
Fluit |
4 vt |
|
|
Octaaf |
2 vt |
|
|
Cornet-Mixtuur |
2-3 st |
|
|
Trompet |
8 vt |
Rond 1948 vond een uitbreiding plaats. Toegevoegd werden een Quint 22/3 Vt discant, de Mixtuur
werd zelfstandig en doorlopend, 2 Vt, 2-4-5 sterk, met een vrij hoge samenstelling, deels bestaande uit oud
pijpwerk. De Trompet werd vernieuwd. De Cornet bleef als discantregister aanwezig. Een
vrij Pedaal werd aangebracht, bestaande uit transmissies van de Bourdon 16 Vt en Holpijp 8 vt en een nieuwe zinken Prestant 8 Vt, opgesteld in een separate kas achter het
orgel.
Voorgeschiedenis van het nieuwe orgel
Het eerste beraad over de toekomst van het orgel leverde in 1985 de idee op, achter
het oude front een tweeklaviers mechanisch orgel tot stand te brengen. Het front was
weliswaar enigszins geschonden (overgeschilderd in een lichte kleurstelling, enige
ornamentiek was verdwenen), maar werd interessant genoeg gevonden om als uitgangspunt te dienen. Nadat opdracht was gegeven aan de
orgelmaker Sicco Steendam om een instrument volgens die uitgangspunten te maken, vond demontage van het
bestaande orgel plaats. Daarbij kwam aan het licht, dat de bestaande kas en het front van 1914 danig door de houtworm waren aangetast.
Op voorstel van de orgelmaker Steendam is toen na heroverweging van de plannen tot
een ingrijpende koerswijziging besloten. Aansluiting bij het eigen karakter van de regio (wenk van Van Dam)
werd verlaten. In plaats daarvan werd door de orgelmaker voorgesteld om het Bätz-Witte orgel van de Oude Kerk te Delfshaven als uitgangspunt te
nemen. De voorkeur voor dit instrument was ingegeven door de overtuiging van de orgelmaker, dat in een kerk als die te
Opeinde, bij de vrij sterke gemeentezang-praktijk die daar plaatsvindt, een orgel van dit type
het meest gewenst zou zijn. Uit het oude orgel werd alleen pijpwenk overgenomen. Dit is echter aangepast aan het mensuurbeeld van het orgel dat als uitgangspunt gold. Hiertoe moest
het gedekte pijpwerk een kleine terts worden ingekort en het prestantpijpwerk een kleine
terts worden verlengd. Ook werden veel kennen vernieuwd en werden veel opsneden verlaagd tot
het gewenste beeld. Tevens werden enkele registers pijpwerk genomen uit de voorraad oude orgelonderdelen die de orgelmaker Steendam heeft opgebouwd.
Het 22 stemmen tellende instrument ging de aanvankelijk opgestelde begroting ruim te boven. Het
orgel kon alleen tot stand worden gebracht dank zij onbetaalde tijdsinvestering van de
orgelmaker, die een representatief eerste opus wilde maken, en de overeenkomst, zes registers, waaronder alle vier de
tongwerken, voorlopig te reserveren.
Beschrijving van het orgel
Voor het front stond het orgel van Delfshaven model. De indeling en maatvoering werden aan dit
voorbeeld ontleend. De gehele kas is uitgevoerd in Oregon-pine, de panelen in Caroline-pine. De kas is niet
geschilderd omdat dit niet passend werd geacht in het kerkinterieur. Alleen een behandeling met lijnolie is
uitgevoerd. De cul-de-lampe onder de middentoren is sterk vereenvoudigd tot enkel een halve
bolvorm. Onder de dubbele velden zijn vier aparte paneeltjes met ruitvormpjes gemaakt in plaats van de liggende
paneeltjes met snijwerk over de breedte van twee velden in Delfshaven. Het snijwerk
bovenin de twee zijvelden is gemaakt overeenkomstig de werktekening van Witte (uitgevoerd bij het orgel van
Leerdam), wat fraaier werd gevonden dan het rondboogfries in Delfshaven. Afgezien
werd van ornamenten op de afsluitende bovenlijsten en de bekroningen: liggende voluten op de horizontale lijsten en
beeldjes op de middentoren. Delen daarvan zijn we! gemaakt en zijn ook aangebracht
geweest, maar de orgelmaker vond dit bij nader inzien te druk en te dominerend.
Bij de zijwanden is de indeling van Witte in hoofdlijnen aangehouden. De profiellijsten om
de panelen zijn echten krachtiger en meer uitspringend genomen. Bij dit orgel zijn bovendien alle panelen van deze
profiellijsten voorzien, in Delfshaven is dat bij de meer naar achteren geplaatste delen
niet het geval. Wat niet van het voorbeeld overgenomen is, is de constructiemethode
van de totale kas. Hierbij heeft Steendam zijn eigen idee gevolgd, een methode die hij meer stabiel vindt en die bovendien enige afregeling
toestaat. De gehele kas is bovendien iets kleiner, omdat de ruimte tussen Manuaal en Pedaal met 30 cm gereduceerd is. Het snijwerk is gemaakt door de fa. T. Top te Kloosterburen. Het ligt in de bedoeling de balustrade waarin het orgel thans is opgenomen nog te vernieuwen in een detaillering, die aansluit bij de vormentaal van het front.
De frontpijpen, behorend tot de beide 8-voets Prestanten van de manualen, zijn gemaakt door de fa. Steffani. De legering bestaat voor 80% uit
tin. De labia zijn rond opgeworpen en verguld. Zijbaarden zijn niet aangebracht.
De klaviatuur bevindt zich aan de linker zijkant. De omringende registerborden, de lessenaar en het knieschot zijn van
eiken. De klavieren zijn van eiken, onderklavier als balansklavier en bovenklavier als
staartklavier. De bakstukken zijn van ebben, rechthoekig, afgezet met bolle biezen van been. Het toetsbeleg is van been, de geprofileerde frontons
eveneens. De geleidestiften voor de toetsen zijn anders uitgevoerd dan bij het
Witte-voorbeeld. Witte maakte zijstiften, wat bij dit orgel met het oog op de verwarming niet werd aangedurfd. In plaats hiervan is één middenstift gemaakt. Hiermee hangt samen, dat het toetsbeleg niet onder de lijsten is doorgezet, omdat vanwege de toetsdikte de stiften dan tegen het beleg zouden slaan. Om dit weinig fraaie visuele effect te vermijden zullen bij het volgend instrument de toetsen
iets dikker worden genomen. De ligging van de klavieren is iets veranderd ten opzichte van het voorbeeld: in plaats van een consequente aanleg met het onderklavier uitstekend en het bovenklavier inliggend zijn beide
klavieren uitgaande van die plaatsing 2 cm naar voren gelegd. Een meer uitgebalanceerde zithouding is hierdoor mogelijk geworden.
De registerknoppen zijn van ebben, op de knoppen zijn naamplaatjes van wit porselein aangebracht met daarop de registernamen in kapitalen (romein), overeenkomstig
Delfshaven. De plaatjes zijn gemaakt door de fa. Laukhuff (de enige die dit momenteel wil doen), en zoals gebruikelijk tegenwoordig is wèl het lettertype zuiver aangehouden, maar is alles te dun genomen, waardoor het effect niet gelijk is aan het
origineel. De registerknoppen van de manualen zijn in twee rijen boven de lessenaar geplaatst, de knoppen voor het Pedaal links van de lessenaar, die voor de koppelingen en de schakelaar windmachine rechts van de lessenaar.
Het pedaalklavier, in eiken uitgevoerd, is een kopie van het pedaalklavier van De Rijp, Hervormde
Kerk. De bank is gemaakt overeenkomstig de werktekening van Witte voor het orgel in de Grote Kerk te Hoorn
(1889). Deze is gekozen omdat het model wat sierlijker is dan over het algemeen bij
Witte. De uitvoering is in eiken, de zitplank is met leer bekleed en van een vulling
voorzien. De lessenaar is om praktische redenen van een schuin achterblad voorzien.
De windvoorziening moest voor een deel naar eigen idee worden gemaakt, omdat deze in Delfshaven niet meer aanwezig is in de vorm van 1855. Veel andere Witte-orgels werden bestudeerd, niet alleen hiervoor overigens. Gekozen is voor een magazijnbalg die onder de pedaallade werd geplaatst, maar die zich ook deels buiten de kas bevindt, tot aan de muur achter het orgel aan toe. Omdat men achter het orgel langs moet kunnen lopen, is een verhoogde vloer met twee trapjes
aangebracht. De balg is gemaakt van Oregon-pine, de vouwen van eiken. Ontlaatventiel en scharen zijn overgenomen van de
balg van het oude orgel. De balg meet ongeveer 250 x 120 cm en is uitgevoerd met dubbele vouw.
De kanalen zijn gemaakt van Caroline-pine. De maten zijn afgeleid uit wat er in Delfshaven nog van terug te vinden is. Het kanaal voor het Bovenwerk is toelopend gemaakt (drie zijden rechthoekig verbonden, een zijde conisch
toelopend), om de onrust in de wind voor het Bovenklavier tegen te gaan. Aan de onderzijde is de
doorsnede breder dan bij het origineel, bij de lade is de beoogde oorspronkelijke maat bereikt. Dit houdt tevens verband met het
feit, dat de beweegbare bodems van de windladen, die Witte in die tijd toepaste en die ook in Delfshaven aanwezig zijn, niet nagevolgd zijn in dit nieuwe orgel.
De winddruk vormde een probleem op zich, omdat in Delfshaven nogal aan de windvoorziening gewijzigd
is. De originele balg van Witte is er niet meer en de fa. De Koff heeft hiervoor in de plaats ooit
elke lade van een eigen regulateur voorzien. Het gevolg is, dat het Pedaal een druk van 98 mm heeft, wat oorspronkelijk 90 was, en het Bovenwerk een druk van 90 mm, die oorspronkelijk 80 mm was. Alleen de druk van het Hoofdmanuaal is nog overeenkomstig Witte’s bedoeling: 90 mm voor C-gis°. 80 mm voor de discant. In Opeinde heeft Steendam aanvankelijk 90 mm aangehouden voor het gehele orgel. Nadat bleek, dat hierdoor het verschil tussen Hoofdmanuaal en Bovenwerk te klein werd en het totaalbeeld te strak en strijkend dreigde te worden, is de druk verlaagd tot 80 mm en zijn ook bij het Bovenwerk intonatie-veranderingen
aangebracht om meer verschil met het Hoofdmanuaal in sterkte en karakter teweeg te brengen.
De Tremulant behoort op dit moment ook nog tot de reserveringen. Het ligt in de bedoeling, een opliggende Tremulant te maken.
De windladen zijn geheel van kwartiers-gezaagd massief eiken wagenschot. De maatvoering en cancelindeling is overgenomen van
het orgel van Delfshaven. De Fagot 16 vt is echter weggelaten uit de dispositie van het Hoofdmanuaal. De vrijkomende ruimte is benut voor een ruimere opstelling van de Mixtuur. Ook de pijpstokken zijn van
eiken. De stokschroeven zijn naar Witte-voorbeeld van palmhout gemaakt. De vierkante schroefkop is echter wat lager genomen omdat Steendam dat visueel aantrekkelijker
vond. De opliggende voorslagen van de ventielkasten worden vastgezet met wigvormige palmhouten
klemmen, draaiend op een houtschroef, naar Witte-voorbeeld. De roosters zijn eveneens van eiken.
Er zijn zes laden, voor elk werk een afzonderlijke (C- en Cis-lade. De cancelvolgorde is voor alle werken in hele tonen, vanuit het midden aflopend naar de zijkanten.
De laden voor het Pedaal liggen achter die van het Hoofdmanuaal. De cancellenramen zijn aan de onderzijde en bovenzijde gesloten door middel van 8 mm dikke hechthout platen. Aan de bovenkant zijn ringen geplakt om de boringen heen, ook aan de onderzijde van de pijpstokken zijn de boringen voorzien van ringen. Er zijn
geen leerbanen aangebracht in de sleepbedden, wat bij ringen ook weinig zin heeft.
De dikte van stokken en slepen is nauwkeurig van Delfshaven overgenomen.
De ventielmaten komen in hoofdzaak overeen met Delfshaven. De overslag is echter van 5 mm tot 2 mm gereduceerd met het oog op de speelaard van het
instrument. De ventielveren zijn 1/2 mm dunner genomen dan in Delfshaven.
Er zijn meer details te noemen, die met opzet afwijken van het gekozen voorbeeld. Zo zijn de voorslagen van
een profieltje voorzien aan de randen. Lagerwerk is voorzien van een sierlijk gebogen uiteinde, wat Witte niet deed, maar
bijvoorbeeld veel later Maarschalkerweerd weer wèl deed. Ook de Cornet-banken, met name
de staanders hiervan, zijn in afwijking van het voorbeeld van profileringen voorzien.
Alle conducten zijn van lood, waaraan 4% antimoon is toegevoegd om het uitzakken tegen te gaan.
De registermechanieken zijn voorzien van eiken hefbomen in plaats van de bij Witte
gebruikelijke ijzeren hefbomen. Bij het Pedaal zijn in plaats van liggende ijzeren balansen, aanwezig in
Delfshaven, staande houten walsen gemaakt.
Voor de toetsmechanieken zijn ook de voorbeelden in hoofdlijnen aangehouden: eiken
ramen met eiken walsen en messing walsarmen. Maar de verhoudingen zijn gewijzigd (verhouding toetsgang tot venticigang). Van invoering is afgezien.
De abstractuur is van Fichte, de uiteinden zijn omwonden met boekbinderslinnen. Winkelhaken
zijn van messing.
Het pijpwerk werd hiervoor al genoemd. Waar het inpasbaar was, werd het uit het oude orgel genomen, ook al moesten er voor die aanpassing
ingrijpende veranderingen worden uitgevoerd. Al dit herstelwerk werd door Steendam
zelf uitgevoerd. Het aangetroffen pijpwerk bezit een hoog loodgehalte (90%), en spitslabia zowel bij prestanten als bij gedekten. De toonhoogte-letters staan opzij, links van de nadenkruising. Uit eigen pijpen-voorraad werden
twee strijkers van Maarschalkerweerd genomen, die goed in het Witte-mensuurbeeld pasten. Tevens vond enig houten
pijpwerk toepassing.
Bij dat alles werd er op toegezien dat het mensuurbeeld, zoals dat uit het orgel van Delfshaven was gevonden, tot stand zou komen; deze maten zijn bij alle werkzaamheden als uitgangspunt genomen. Een
deel van het pijpwerk is nieuw gemaakt. Voor het Hoofdmanuaal is dat door Steendam zelf gemaakt, waartoe hij platen metaal bij de fa. Steffani heeft besteld. Alle verdere werkzaamheden, zoals o.a. uitschaven, zijn in eigen werkplaats verricht.
Het pijpwerk voor het Bovenwerk is door de fa. Steffani gemaakt. Het binnenpijpwerk is uit 20% tin en 80% lood, behalve bij de
strijkers. De steminrichtingen volgens de gebruiken van Witte in deze bouwperiode:
dubbele stemkrullen bij de grotere open pijpen. Bij de strijkers zijn de expressions die van
origine aanwezig waren, gehandhaafd.
De oudere houten pijpen zijn geheel gerestaureerd, waarbij ze opnieuw verlijmd zijn en waarbij ook de
voorslagen vernieuwd zijn. De pijpen van de Subbas 16 vt bezitten een stelschroef in de pijpvoet.
Het voornemen bestaat, om binnenkort de eerste aanzet tot completering van het orgel te geven. Van de zes
ontbrekende registers zullen dan worden geplaatst de Octaaf 8 en Octaaf 4 vt van het
Pedaal, en de Trompet van het Hoofdmanuaal.
Wanneer het in de toekomst tot voltooiing van het Pedaal komt, zal gekozen worden voor
een Basson in plaats van een Bazuin, en zal ook de Trombone 8 vt enger worden genomen dan bij het Witte-voorbeeld.
Indrukken
In het begin van deze bespreking werd al gewezen op het cruciale moment in de voorgeschiedenis van dit orgel, het moment waarop de binding met het aangetroffen
materiaal werd verbroken en de koers werd verlegd naar het werk van Witte. Ik weet niet, of aanvankelijk in
strikte zin aansluiting bij de wereld van Van Dam werd beoogd. Wellicht bood het
aangetroffen pijpwerk hiertoe ook te weinig aanknopingspunten. Wat factuur en mensurering betreft is de herkomst in elk geval niet overtuigend zuiver Van Dam. Wezenlijk is
echter, dat van regionaal getinte kenmerken is afgezien en dat hiervoor in de plaats naar
een factuur is omgezien van een landelijk vooraanstaand huis. Met het werk van Witte begeeft men
zich dan op een terrein dat opvallende kenmerken in zich verenigt. Het werk van de jaren vijftig vormt
een periode waarin klassieke tradities en nieuwere, door internationale oriëntatie verkregen ideeën met
elkaar worden verweven, bij elk instrument weer op een verdergaande, naar vernieuwing zoekende
wijze. Witte deed dat met groot vakmanschap. Zijn werkwijze is degelijk wat materiaalkeuze
en bewerking betreft, bewust en precies wat betreft concept en klankgeving. Redenen genoeg om het werk nader te bestuderen en
te zien welke voordelen dat kan afwerpen.
Het maken van een kopie is inmiddels als leerproces niet onbekend meer. Ook is over het algemeen aanvaard, dat men een kopie niet slaafs hoeft te maken, dat
men het geleerde vrijer zou kunnen en mogen toepassen. Het is duidelijk, dat Steendam zijn
kopie al meteen van interpretatieve vrijheden heeft voorzien. Het lijkt raadzaam in deze bespreking
eerst die vrijheden te toetsen aan het gekozen uitgangspunt.
Het orgel van Delfshaven is een mooi instrument, ook al lijdt het een beetje onder de
hiervoor beschreven veranderingen aan de windvoorziening. Het is ook mooi om te zien; van alle fronten die
volgens dit type gemaakt zijn, is dit het meest virtuoos van uitwerking. Er gaat dientengevolge een inspirerende invloed van uit, waarbij
mijnentwege nog de hele sfeer van kerk en omgeving opgeteld kan worden.
Als men zo’n orgel als voorbeeld kiest en men kent het kerkgebouw waar dat terecht gaat komen, moet men zich de
combinatie van een en ander goed indenken. Want uitgekleed tot hoofdvormen maakt zo’n op zichzelf niet erg fantasierijk front toch
wel een heel andere indruk. Vooral de onbehandelde bolvorm onder de middentoren en het ontbreken van de liggende voluten op
de bovenlijsten vergroten de stijfheid van het ontwerp in hoge mate. Waarom dan niet aangesloten bij het front van
Leerdam, waar de gehele ornamentiek simpeler van uitvoering is? Nu werkt het naar twee
kanten averechts: de ontbrekende delen worden node gemist, de uitgevoerde delen staan
al te geïsoleerd mooi en virtuoos te wezen.
Hetzelfde kan gezegd worden van het blank opleveren van het Oregon- en Caroline-pine.
Ik vind het een ontoelaatbaar anachronisme, zo’n nagemaakt Witte-front in deze uitvoering. Hetzelfde kan worden opgemerkt ten aanzien van balustrade en
ondersteuning. De balustrade zal dan nog worden aangepast, maar een klassieke voetlijst, behorend bij deze vormentaal, zie ik, gezien de beschikbare hoogte, nog niet komen, laat staan kolommen van een
verantwoorde proportie.
Nu zijn er op dit terrein wel vaker concessies gedaan die weinig bevredigende oplossingen
hebben opgeleverd, dus die kritiek heeft een wat breder bereik dan alleen dit orgel, dat moet worden gezegd.
Ik doel in feite in het algemeen op de machteloosheid, die spreekt uit de voorkeur voor
een kopie boven den eigen ontwerp, zeker als die kopie gekortwiekt moet worden om
acceptabel te zijn, en wezenlijke delen moet missen. Er is ook uit af te leiden, dat doorgaans met
oogkleppen op naar een orgel gekeken wordt. In letterlijke zin wanneer blijkt dat men de samenhang met
omringende elementen niet heeft begrepen. Maar overdrachtelijk gesproken wanneer blijkt dat uit
het bespelen, beluisteren en opmeten van een of meerdere instrumenten nog geen begrip voor de cultuur, waar het instrument uit voortkomt, is ontstaan. Dat laatste proef ik
een beetje uit de vele aanpassingen en toevoegingen die in het technisch deel van het instrument zijn verwerkt.
Wanneer men bewondert wat de orgelmaker Witte in 1855 maakte, denk ik dan, bewonder hem dan van harte en
probeer hem te begrijpen. Zie hem zoeken naar de verbinding van het oude met het
nieuwe, neem waar, hoe hij rationeel werkt, doeltreffend, als een typisch 19de-eeuws mens, dicht staande bij grotere
werkplaatsen waar muziekinstrumenten op meer industriële wijze vervaardigd werden (en toch mooi waren!). Uit alle details waarbij Steendam Witte verbetert, anders gezegd, waarin hij zijn eigen
stijl verkiest boven de eenvoud van Witte, blijkt dat zijn hart in feite uitgaat naar de allure van
vroegere tijden. Het lijkt zo onschuldig, die kleine aanpassingen, maar er spreekt een innerlijke verwarring uit, een
sterk doorgevoerd enerzijds-anderzijds, een gebrek aan visie ook op het gekozen cultuurbeeld.
Moet een eersteling dan volmaakt zijn? Geenszins, en dat is ook zeker niet de strekking van de uitgesproken kritiek. Ook komen
inconsequenties als hierboven aangestipt lang niet alleen in het werk van Steendam voor.
Wat ik en mee wil zeggen is in hoofdzaak dit: probeer te begrijpen wat een
orgelmaker uit de geschiedenis heeft willen maken, waarom hij het zo deed, en wat het culturele kader was waarin hij stond. Dat is wat anders dan het bekijken van instrumenten door
een bepaalde bril, door persoonlijke voorkeuren heen, waaruit heel snel de verkeerde
conclusies volgen. Zo kan men in werk van Witte elementen beklemtonen die ‘nog zo
klassiek zijn’ en stilzwijgend voorbijgaan aan andere details, waaruit nu juist het tegendeel blijkt.
De keuze voor Delfshaven is vooral ingegeven door de geringe akoestische kwaliteiten van het kerkgebouw te Opeinde, dat naar Steendams mening geen eng gemensureerd orgel
verdroeg, en het stoere karakter van de kerkzang ter plaatse. Bepaalde elementen van deze redenering kan ik wel onderschrijven. Of ik dan bij Delfshaven uitgekomen was,
weet ik nog niet zo zeker. Persoonlijk zet ik twee vraagtekens bij die keuze, in verhouding tot het kerkgebouw:
als corpus vind ik het aan de grote kant, en het klankconcept vind ik, zowel wat dispositie (met name door de pedaalbezetting), alsook wat de voor Witte spreekwoordelijke krachtige toon betreft,
discutabel.
En zijn echter ook andere indrukken. Die krijgen een kans wanneer het orgel wordt bespeeld en beluisterd, los van de hiervoor geuite kanttekeningen. Het nu tot stand gebrachte
klankbeeld heeft zeer zeker verwantschap met het werk van Witte, ook al zijn belangrijke
onderdelen hiervan, zoals de tongwerken, nog niet aanwezig. Met name de tutti-functie van de Cornet kan daarom nog niet ècht op waarde worden geschat.
Zeer positief kan ik zijn over de hoofdlijnen van de thans hoorbare labiaalklank.
Het prestantenkoor van het Hoofdmanuaal heeft een goede opbouw, beginnend bij de wat vol en hoornig klinkende Prestant en eindigend met
een pikantronde Octaaf 2 voet. De onderlinge versmelting is goed, de stapsgewijze opbouw overtuigt wat mij betreft zeker. Daar komt dan nog de Mixtuur bij, die in
beide versies goed mengt met de grondstemmen. De 8-voets versie blijft voor mij duidelijk tweede keus, de volledige versie, met de in het plenum opgenomen Bourdon en
Roerfluit, biedt een veel gevulder en hechter plenum. Goed geslaagd vind ik vooral de glans die de Mixtuur
heeft, de klank is vol en krachtig, maar tevens ontspannen en glanzend, wat een mooie
prestatie is.
Overtuigend zijn ook de fluiten op het Hoofdmanuaal. De Roerfluit is groot en vol van toon, en vormt daarmee
een goed uitgangspunt voor de duidelijke en volrond klinkende open Fluit 4 Vt. De Bourdon draagt goed en sluit mooi bij het plenum aan.
De Cornet kon alleen als solostem worden beluisterd en voldoet als zodanig goed. De intonatie heeft
geleid tot hechte versmelting van de vijf koren.
De Prestant van het Bovenwerk is mooi gelukt als wat meer strijkende tegenhanger van de
Hoofdwerk-Prestant. De klank is niet zozeer zachter, dan wel anders, snijdender.
Mooi zijn de fluiten, de Gemshoorn is bij de laatst uitgevoerde druk- en intonatiewijziging in het ééngestreept octaaf net iets teveel presentie kwijtgeraakt. Ook over de verhouding tussen
Prestant en Salicet ontstond bij mijn bezoek enige discussie, het is moeilijk daarin
een duidelijk standpunt te vinden, omdat Witte zelf ook varieerde op dat punt. Ook
speelt een rol, dat een te zacht gevonden Salicet op sommige punten nu juist weer heel mooi kan functioneren, terwijl die
constatering van de geringe sterkte in andere registraties weer negatief uitpakt.
Ik houd het erop dat de huidige sterkte bij sommige effecten weliswaar mooi werkt, maar dat bij de
meer belangrijke registerensembles de verhoudingen iets verstoord zijn. Prachtig verstild-snijdend is de Gamba, goed aansluitend ook bij de
Holfluit.
Van het Pedaal kan helaas nog niet meer worden gezegd dan dat de Subbas zeker goed dragend werkt.
Het toucher van het orgel verraadt een zorgvuldige afregeling. Het karakter van de
beide werken is op juiste wijze in het toucher terug te vinden. Ondanks aanpassingen blijft de gekoppelde speelaard,
overeenkomstig de stijl van het huis, wat aan de taaie kant. Goed is de windvoorziening.
Het is Steendam zeker gelukt, om, zonder gebruik te maken van de beweegbare bodems van de laden, toch een soepele en presente wind te
verkrijgen. Ook is de onrust in de wind van het Bovenwerk tot zeer geringe fluctuaties, volkomen plausibel echter, teruggebracht. Houtwerk en pijpwerk zien en verzorgd uit. Het gehele werk ademt een gezonde ambachtelijke sfeer die vakmanschap verraadt.
Opus 1 van Sicco Steendam heeft veel sympathieke eigenschappen en getuigt van talent, dat staat voor mijn gevoel voorop.
Ik hoop, dat visie op het historisch orgelbestand, zeker wanneer dat als onmisbare
bron voor verdere groei wordt beleden, zich zal verdiepen en meer genuanceerd zal worden. Met spanning wachten we nu op
de volgende stap, temeer daar er dan ook tongwerken te horen zullen zijn.
Voorlopig dus het in regionale termen gegoten compliment: "Het kon
minder".
De orgelmaker Sicco Steendam
In 1986 vestigde zich als zelfstandig orgelmaker te Warffum de orgelmaker Sicco Steendam.
Hij is afkomstig uit Twente en vond zijn eerste orgelmakersleerschool in bet bedrijf van de
orgelmaker H.J. Vierdag te Enschede. Houtbewerking en voorintonatie waren daar zijn eerste venrichtingen.
Vervolgens werkte hij bij de orgelmakers Vermeulen te Weent. Hier leerde hij voor het
eerst restauratietechnieken. Pijpwerk-restauratie en stemwerkzaamheden waren hier zijn taken.
Tenslotte werkte hij enige tijd bij Mense Ruiter Orgelbouw te Zuidwolde. Hier was hij betrokken bij mechanieken, pijpmaken,
stemmen en voorintonatie.
Steendam kwam na zijn vestiging in het nieuws door zijn idee van de ‘orgelbank’: een opslag
voor overcomplete waardevolle orgels en onderdelen. Hij heeft dan ook daadwerkelijk
een voorraad in die zin opgebouwd.
Op dit moment heeft Steendam twee full-time-medewerkers en één part-time-medewerker.
Zelf verzorgt hij de elementen planning, tekenen inclusief concept en ontwerp, intonatie,
pijpen maken. De beide full-timers werken in de houtbewerking. De part-timer is in dienst voor stemmen en intoneren.
De orgelmakerij heeft tot nu toe voornamelijk klein onderhoudswenk en herstel uitgevoerd; in 1987
maakte Steendam bovendien twee Portatieven (zie HET ORGEL van juni 1988, pag. 269).
Het eerste werk was de herintonatie van het orgel in de Gereformeerde Kerk te Berkum. Daarna volgde de restauratie en plaatsing van een
19de-eeuws éénklaviers orgel in de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Harkstede.
Het derde werk was de herziening van het Positief van R. Ottes uit 1969 in de Doopsgezinde
Kerk te Roden. Windvoorziening en mechaniek werden vernieuwd, de fluiten 8 en 4 voet werden van nieuw pijpwerk voorzien, de Mixtuur werd een octaaf opgeschoven en
het overige pijpwerk onderging herintonatie.
Vervolgens werd het Koch-orgel uit de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk te Ulrum overgeplaatst naar de Gereformeerde Kerk te Enumatil, waarbij
het orgel werd gewijzigd en geherintoneerd. In de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Ulrum zal Steendam
het uit 1916 daterende mechanische Dekker-orgel uit de opgeheven Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt van Houwerzijl plaatsen.
Voorts werd het Streichert-Positief uit de muziekschool van Hengelo overgeplaatst naar een verpleeghuis te Lutjebroek, waarbij tevens pijpwerk opgeschoven en opnieuw
geïntoneerd is; ook zal het de Koff-orgel uit de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt van Veendam (het laatste instrument uit het huis
de Koff) worden overgebracht naar de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Mijdrecht.
Het meest belangwekkende is echter de opdracht voor de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt te Hoogeveen. Hier gaat Steendam zijn tweede nieuwe instrument maken, een
vervolg op de in Opeinde ingeslagen weg. Een geheel nieuw liturgisch centrum (meubelen, deuren etc.) is inmiddels door Steendam voor Hoogeveen gemaakt, het orgel is thans in bewerking en moet in de zomer van 1990 worden opgeleverd.
Email: info@orgelbouwsteendam.nl